Contouren

van het

Omgevingsgericht

Omgevingsgedragen Biologieonderwijs

 

voor Basisonderwijs &

Voortgezet Onderwijs

 

 

 

oktober 2005

 

 


Inhoudsoverzicht

 

1. Inleiding


2. Omgevingsgericht onderwijs


3. Omgevingsgedragen onderwijs


4. Een innovatief project


5. Omvang en reikwijdte


6. Plan van aanpak en fasering van de uitvoering


7. Parameters om de mate van succes te volgen

 

 

Het habitatboek voor Oost-Groningen en Ostfriesland is in eerste opzet gereed

----------------------------------------------------------

 

1†††††††††

INLEIDING

Omgevingsgericht Ongevingsgedragen biologieonderwijs[1] stelt 'het levende' centraal zoals Jac. P. Thijsse en Eli Heimans dat deden.Dezen moedigden gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw in hun boeken en albums de schooljeugd aan vooral zelf te kijken naar 'de natuur'.

Omgevingsgericht Omgevingsgedragen Biologieonderwijs BO&VO - OOBO - is gebaseerd op de studie existentieel biologieonderwijs (www.existentieelbiologieonderwijs.nl) en gericht op het ontmoeten van de animale werkelijkheid zoals die vandaag de dag bestaat en direct gerelateerd is aan de binnen de biotopen gegeven botanische werkelijkheid. OOBO wil de schoolgaande jongens en meisjes brengen tot het doorzien van de eigenheid van de dierenpopulaties, omdat dit zien gezien wordt als een onmisbare voorwaarde voor het als mens kunnen begrijpen van de eigen plaats in de aardse werkelijkheid, in nature.[2]

 

2.

OMGEVINGSGERICHT ONDERWIJS

Jongens en meisjes Deze dieren komen allereerst in aanmerking om gezien en bestudeerd te worden. Zij kunnen ook gemakkelijk in hun bestaan gevolgd worden omdat ze alle twaalf maanden van het jaar aanwezig zijn. Op die dieren (populaties) zal de aandacht gericht worden als in school het biologieonderwijs deze dieren steeds weer opnieuw aan de orde stelt.

Het organiseren en het ontmoeten en het begeleiden van de daarbij passende studies, wordt gezien als een directe taak van het basis- en voortgezet onderwijs ten faveure van alle jongens en meisjes. Gedurende de basisschooljaren zijn de jongens en meisjes gekenmerkt door een natuurlijke verkennende houding, een houding die er toe moet leiden dat zij zo spoedig mogelijk en zo gedegen als nodig is capabel worden om actief en harmonieus deel te nemen aan het samen leven. Voor deze nieuwe mensen is de wereld waarin ze opgroeien nieuw en interessant.

Het concept waarop Omgevingsgericht Omgevingsgedragen Biologieonderwijs BO&VO berust maakt het mogelijk om essentiŽle stappen te zetten op het gebied van inzichtverwerving in het levende zoals het zich aan ons mensen voordoet. Verwacht wordt dat door de voorgestane wijze van onderwijs de Jongens en meisjes zichzelf gaan begrijpen als deel van de existentiŽle eenheid, waardoor hun persoonlijke levenspositie voor hen doorzichtig wordt.

Verwacht wordt dat door de voorgestane wijze van onderwijs de Jongens en meisjes zich als volwassenen actief zullen gaan inspannen om de eigen omgeving rijk te houden aan dieren- en plantenleven. Verwacht wordt dat zij hun eigen omgeving (tuinen en straten, velden en plassen) gaan zien als een plek waar zorgvuldig mee moet worden omgegaan en waaraan steeds weer gewerkt moet worden om die gebiedjes en gebieden steeds geschikter te maken voor de echte wilde natuur: de natuur die bij hun dorp of grotere plaats van oudsher hoort, de natuur waarin hun voorouders zich thuis voelden en waarvan zij leefden.

 

3.

OMGEVINGSGEDRAGEN ONDERWIJS

Een programma als Omgevingsgericht Omgevingsgedragen Biologieonderwijs kan weliswaar geconcipieerd worden vanachter de schrijftafel maar vergt daarnaast dat de samensteller zijn ideeŽn steeds weer toetst binnen de lopende schoolpraktijk en nadrukkelijk samengewerkt met de onderwijzers en onderwijzeressen en de leraren en leraressen die op dit moment in de scholen belast zijn met het geven van biologieonderwijs. Daarnaast vergt het ontwikkelen van een omgevingsprogramma samenwerking met alle experts die op dit moment in die omgeving vanuit hun eigen discipline aan het werk zijn.

Ten slotte is het noodzakelijk dat het programma ten volle steunt op de wetenschappelijke zoŲlogische en botanische kennis die binnen universitaire en andere wetenschappelijke instituten voorhanden is.

Het omgevingsprogramma vergt ten slotte voortdurend fysiek contact met de omgeving zelf: met dedaarbinnen levende dierenpopulaties en vegetaties. Het vergt veelvuldig naar buiten gaan van de jongens en meisjes in de lokale natuurgebieden (deze worden in het

'Habitatboek Groningen Ostfriesland'opgesomd).

Professionele deskundigen van het Nederlands Instituut voor Milieu Educatie, Landschapsbeheer Groningen, Staatsbosbeheer, IVN, KNNV, Natuurcentrum Breebaartpolder, Het Waterschap, Delfzijl Aquariom, Natuurmuseum zullen gevraagd worden hun educatieve programma's te koppelen aan dit onderwijsproject.

Onderwijzers en onderwijzeressen uit het Basis Onderwijs en leraren en leraressen uit het Voortgezet Onderwijs zullen begeleid worden bij het organiseren van het voorziene voorzichtig en behoedzaam natuur-struinen en het observeren van de dierenpopulaties, en het waarnemen van de lokale plantenvegetaties.

De verwachting is dat in de loop der jaren de jongens en meisjes goed georiŽnteerd raken in de regionale habitats en goed weten welke diersoorten (populaties) in die habitats voorkomen en waardoor de habitats gekenmerkt worden qua flora en qua geologische gesteldheid .

 

4. †††††††

EEN INNOVATIEF PROJECT

Het innovatieve karkater van dit OOBO-biologieproject is gelegen in:

(a) de nieuwe uitgangspunten en doelstellingen, waarbij de eigen lokale regio met haar fauna en fora centraal staat;

(b) de nieuwe didactiek met veelvuldig doorzoeken (struinen) van de biotopen binnen de eigen lokale omgeving door de schoolgaande jongens en meisjes;

(c) het nieuwe meewerken, creatief en dragend, van diverse binnen- en buitenschoolse instanties in de regi;

(d) het gebruik van de moderne media, en het inzetten van internet ter verwerving van publieke maatschappelijk verankerde informatie;

(f) het expliciet gebruik maken van de expertise van universiteiten en instituten in binnen- en buitenland die zich bezig houden met zoŲlogische en ecologische studies; waarbij beoogd wordt academische en lokale ervaringsdeskundige bekwaamheden te koppelen;

(g) het van jongs af aan betrokken zijn van de jongens en meisjes bij het in standhouden van het landschap en dit nog beter geschikt maken als leefomgeving voor vele dierenpopulaties.

 

5.

OMVANG EN REIKWIJDTE

Omgevingsgericht Omgevingsbedragen Biologieonderwijs BO&VO wil strikt wetenschappelijk gefundeerd blijven, maar tegelijkertijd ingebed blijven in de lokale werkelijkheid. Dat betekent dat in de loop van de 14 schooljaren (4 t/m 18 jarige leeftijd) de verworven kennis van de jongens en meisjes op zoŲlogisch, botanisch, ecologisch en ontogenetisch en anatomisch gebied, zeker vergeleken met het huidige onderwijs, zeer omvangrijk wordt en zeer ver zal reiken. Voor havo- en vwo-leerlingen zal het programma, zoals in het Advies van de Biologische Raad van de KNAW (2003) wordt voorgesteld, met glans gehaald kunnen worden.

Daarbij zal de sterke gerichtheid op de eigen regio en de beleving van de daarin gelegen waarden gezien mogen worden als een grote verworvenheid.Dit programma zal een stevige basis leggen voorlatere persoonlijke inzet voor het behoud en de ontplooiing van de regionale landschappelijke omgeving waarin de eigen historische flora en fauna veilig kan voortbestaan.

 

6. †††††††

PLAN VAN AANPAK EN FASERING VAN DE UITVOERING

De uitvoering van het plan zal in opeenvolgende fasen gestalte moeten krijgen.

In dit stadium zijn er vier stadia te onderscheiden waarvan het eerste stadium in aanloop op gang gekomen is.

Begonnen wordt met het in eerste opzet gereedmaken van een concreet biologieprogramma voor de basisscholen en het voortgezet onderwijs, een programma dat in belangrijk grotere mate dan thans gebruikelijk is, gericht is op de in de inleiding beschreven doelen.

Gedurende de schooljaren zal het buiten observeren steeds nauwkeuriger en gedetailleerder worden. Er zal binnen de school op basis van de buitenervaringen verder worden gewerkt. De dierenpopulaties en plantenvegetaties zullen steeds systematischer (ethologie, ontogenese en ecologie) observerend, onderzoekend (kweken en de stereomicroscoop gebruikend) en bestuderend (films, literatuur, explicaties van specialisten) gevolgd worden gedurende zomer en winter, gedurende de twaalf maanden van elk jaar, zowel in het basisonderwijs als in het voortgezet onderwijs.

De opzet van het programma en de invoering ervan in de scholen BO+VO zal een aantal jaren vergen.Enkele fases zijn te onderscheiden.

 

 

ORIňNTATIEFASE

Het project is in de voorfase vooral oriŽnterend van karakter. Belangrijk is te weten te komen wat de mogelijkheden zijn en of de beoogde reikwijdte haalbaar is. Tegelijkertijd zalin de pilot opzet - door eerst in beperkte mate in de praktijk de ideeŽn uit te voeren -vastgesteld worden of er draagvlak ontstaat bij onderwijzersen onderwijzeressen en leraren en leraressen voor deze innovatieve benadering van de levende werkelijkheid in Oostgroningse en Ostfriesische habitatgebieden met daarbinnen de kenmerkende biotopen.

 

Stappen die tijdens de ORIňNTATIEFASE gezet moeten worden

A. Opzetten van een actief creatief bouwend netwerk

Eerste en belangrijkse partners zijn de scholen Basis- en Voortgezet Onderwijs met de daarbinnen werkende onderwijzers en onderwijzeressen en leraren en leraressen.

Deze zullen gezocht en gevonden worden in de thans ontstaande verbanden tussen de scholen BO+VO binnen de in oprichting zijnde nieuwe ROB-directoraten Reiderland, Winschoten, Pekela, Vlagtwedde, Veendam en Stadkanaal en Ter Apel.

Aan de directeuren en schoolteams zullen onze ideeŽn en voorgestelde doelen en werkwijzen voorgelegd worden en van dezen zal de principe-toezegging verkregen moeten wordendat zij in het komende schooljaar mee willen werken aan de ORIňNTATIEFASE, in casu of zij als pilotscholen willen functioneren..

Indeze fase zal op enkele basisscholen met enkele onderwijzers&onderwijzeressen en onderwijzeressen en in het voortgezet onderwijs met enkele leraren en leraressen begonnen worden met het operationeel maken vanhet programma zoals dat in onze tekst Oostgroningse Habitatgebieden voor het biologieonderwijsbeschreven staat.

 

B. Partners

Ook aan de voor het onderwijs bestuurlijk verantwoordelijken in onze regio zullen de ideeŽn en voorgestelde doelen en werkwijzen voorgelegd worden en waar mogelijk zullen ouders bij de ontwikkeling betrokken worden.

Andere belangrijke partners in dit netwerk zijn het Nederlands Instituut voor Milieu Educatie (NME), Landschapsbeheer Groningen en de Natuurincentra Reidehoeve/Breebaartpolder Aquariom, Rijkswaterstraat en Staatsbosbeheer.

 

C. Voorbereiding Tweede Fase

De Tweede Fase zal voorbereid worden tijdens de OriŽntatiefase. Een deel van de beschikbare gelden zal daarvoor bestemd worden, opdat de voortgang in volgende jaren zo goed mogelijk gegarandeerd blijft.

De verantwoording van de besteding der gelden van de OrieŽntatiefase wordt in grote mate bepaald door het succesvol voortgaan in de tweede fase. Gedurende Eerste Fase zal gezocht worden naar financiering van de Tweede Fase. Betrokken scholen in de eerste fase

OBS Beerta en overige scholen BO+VO van de GemeenteReiderland .

Met de ROB-directeuren Reiderland Wnschoten Scheemda Pekela Vlagtwedde Veendam Stadskanaal zal beproken worden op welke wijze en in welke progressie scholen BO+VO uitgenodigd zullen worden om deel te nemen.

Een en ander is afhankelijk van de voor het project beschikbare gelden.

 

TWEEDE FASE

De Tweede Fase zal - afhankelijk van het gepresteerde in de ORIňNTATIEFASE - verder groeien. Een website zal functioneel worden: ondersteunend en tot laagdrempelig regiogedragend communicatiekanaal.Gelegde verbanden binnen het BO en VO, alsmede lokale instituten die natuureducatie als deel van hun taak zien gaan intensiever samenwerken.

Tevens zal het projectconcept aan de hand van de actuele situatie worden bijgesteld (organisatiestructuur, inzet bemanning, begin van een bureau, etc.)

 

Na enkele jaren zal het zo moeten zijn dat het onderwijsprogramma gefinancierd wordt vanuit de reguliere middelen, wellicht met uitzondering van een bureau dat belast is met de website-ontwikkeling en de verwerking van de instroom van praktijkinformatie uit het uitvoerend onderwijsveld. De websitegarandeert dat het programma continu verbeterd en geactualiseerd wordt naar de eisen van de overheid (onderwijswet) en de wensen van de onderwijsgevenden en betrokken bestuurders en ouders.

De derde fase zal voorbereid worden gedurende de Tweede Fase.

 

DE DERDE FASE

De fase van vereniging met het biologieonderwijs in Ostfriesland.

 

DE VIERDE FASE

- De fase van consolidatie,versterking, verrijking en verdieping van het programma qua inhoud en qua dagelijkse communicatie tussen de uitvoerenden (sturing door het Bureau: theoretisch en praktisch management).

- Opname van het 'Omgevingsgericht Omgevingsgedragen Biologieonderwijs' in het reguliere onderwijsprogramma van de Groningse en Ostfriesische Scholen voor Basis- en Voortgezet onderwijs.

  

7.

PARAMETERS OM DE MATE VAN SUCCES TE METEN

De maatstaf voor de vitaliteit van het samen uitvoeren van het Project 'Ontwerp en Praktijkontwikkeling van Omgevingsgericht Omgevingsgedragen Biologieonderwijs' is:

(1) de omvang van de deelname (het percentage van het bestaande totaal aan scholen BO+VO en daarbinnen van de deelnemende jaargroepen);

(2) de graad van enthousiasme die zich gedurende de schooljaren zich bij onderwijzers&onderwijzeressen en leraren&leraressen ontwikkelt en toonbaar wordt in succesvol zelfstandig opereren van deze professionals en de door hen gecoachte jongens en meisjes (n.a.v. Ad Verbrugge, NRC 18 juni 2005).

(3) de mate van groei van de materiŽle zoŲlogische invulling van de website als afspiegeling van de op schoolniveau geleverde prestaties van de leerkrachten;

(4) de mate van het respecteren van de boodschap die aan het Project ten grondslag ligt door leerkrachten;

(5) de mate vanvertrouwd zijn van de jongens en meisjes die meerdere jaren biologieonderwijs genoten hebben gebaseerd op de projectuitgangspunten met de fauna en de vegetaties in de hen omringende omgeving (landschappen van Oostelijk Groningen, het wad, het Eems-estuarium);

(6) de aantallen (percentages) van jongens en meisjes die in hun naschoolse jaren actief deelnemen aan activiteiten binnen de regio die beogen het landschap in stand te houden en dit nog beter geschikt te maken als leefomgeving voor vele en hun vegetaties en zelf initiatief nemen tot dergelijke activiteiten.

 

Cornelis van MierloDrs (onderwijskundige en bioloog)

Emmastraat 16, 9671 APWinschoten

Telefoon: O597431 909en06 25 47 46 48

 

www.existentieelbiologieonderwijs.nl



[1] Omgevingsgericht Omgevingsgedragen Biologieonderwijs BO&VO, zoals hier wordt geschetst, is het directe vervolg op de een verkennende wetenschappelijke studie op het gebied van de biologie, die tussen 1994 en 2004 zijn beslag kreeg.Zie ter kennisneming van de opbrengst van de studie de site <www.existentieelbiologieonderwijs.nl>.

[2] Existentieel biologieonderwijs beoogt de schoolgaande jongens en meisjes door buitenobservaties van de dierenpopulaties in hun directe omgeving (water/land/lucht) vertrouwt te maken met de eigen regionale fauna en de bijbehorende flora. Een belangrijke component van de eigen leefomgeving komt zo uitdrukkelijk in beeld en zal de belevingswaarde van de eigen regio in belangrijke mate versterken.